
Veel wandelaars denken bij een buitenlandse tocht meteen aan een huurauto, een vol parkeerterrein en een route die weer terugloopt naar de plek waar je begon. In Noorwegen kan het anders. Een trein door Noorwegen brengt je niet alleen van stad naar stad, maar zet je af midden in de bergen, op plekken waar het wandelen pas echt begint. Je stapt uit op een perron tussen sneeuwvelden en meren, snoert je veters vast en loopt zo het hooggebergte in. Geen auto, geen gedoe met ophalen, alleen jij en het pad. Wie graag stapt, vindt hier een manier van reizen die verrassend goed bij wandelen past.
Waarom de trein en wandelschoenen in Noorwegen bij elkaar horen
De trein is in Noorwegen meer dan vervoer. Op routes als de Bergensbanen rijd je urenlang langs meren, watervallen en kale hoogvlaktes, met je rugzak in het rek boven je hoofd. Voordat je ook maar een stap hebt gezet, heb je al uitzicht gehad waar je thuis een hele dagtocht voor zou maken. Dat scheelt energie. Je komt uitgerust aan op grote hoogte, zonder de lange klim die je met de auto vanaf het dal zou hebben.
Er is nog een voordeel. Sommige van de mooiste wandelgebieden hebben helemaal geen weg. Finse, het hoogste station van het land op 1222 meter, is alleen te voet, op ski’s of met de trein te bereiken. Wie daar wil lopen, heeft de trein simpelweg nodig. Voor wie milieubewust reist telt mee dat je het vliegtuig kunt overslaan en toch in het noorden komt. En een trein laat zich makkelijk combineren met een boot over de fjorden, zodat je heen en terug verschillende routes ziet.
De spoorlijnen die je tot aan het pad brengen
Noorwegen heeft een handvol spoorlijnen die stuk voor stuk een wandeling waard zijn. De Bergensbanen tussen Oslo en Bergen kruist de Hardangervidda, de grootste hoogvlakte van Europa, en stopt bij dorpjes als Finse en Myrdal waar paden alle kanten op gaan. Vanaf Myrdal daalt de Flåmsbana steil af naar het Aurlandsfjord, een van de steilste spoorlijnen ter wereld met reizigersverkeer. Onderweg kun je uitstappen en een stuk te voet door het Flåmsdalen lopen, langs watervallen en oude boerderijen. In Flåm kun je het pad inruilen voor een boot over de smalle Nærøyfjord, een zijarm die op de werelderfgoedlijst staat.
Verder noordelijk loopt de Raumabanen door het Romsdalen naar Åndalsnes, een stadje dat geldt als een van de beste uitvalsbasissen voor bergwandelingen in het land. Vanaf hier klim je naar smalle bergkammen met uitzicht over fjord en pieken. Wil je nog verder, dan brengt de Nordlandsbanen je van Trondheim naar Bodø, dwars over de poolcirkel, met eindeloze bossen en moerassen aan beide kanten van het spoor. Elke lijn zet je op een ander soort terrein af, van hoogvlakte tot fjordrand.

Wandelen van station naar station
Hier komt het mooiste idee van een treinreis met wandelschoenen. Omdat de trein meerdere keren per dag op verschillende stations stopt, hoef je geen rondje te lopen dat eindigt bij je auto. Je begint op het ene perron en loopt naar het volgende, waar je de trein weer pakt. Een lus terug naar het beginpunt is niet nodig, en je hoeft niets te regelen met een chauffeur of een tweede wagen.
Dat geeft rust in je hoofd tijdens het lopen. Loop je een dag, dan stap je ’s avonds gewoon in en rol je naar je hotel of hut. Pak je het groter aan, dan koppel je meerdere etappes aan elkaar met overnachtingen onderweg. Plan wel vooraf welke treinen rijden, want op de hoogvlakte stoppen er maar een paar per dag. Reis licht, met een dagrugzak en kleren voor wisselend weer, dan houd je de etappes behapbaar. Zo wordt de trein je vertrekpunt en je taxi naar huis tegelijk, en kun je je volledig richten op het pad onder je voeten.
Wat je onderweg moet weten
Een paar praktische dingen maken zo’n tocht een stuk prettiger. Het wandelseizoen in het hooggebergte loopt grofweg van juli tot eind september. Daarbuiten ligt er nog sneeuw op de hogere paden, ook in de zomer kan dat plaatselijk zo zijn. Neem altijd laagjes mee, want het weer slaat snel om en op 1300 meter is het ook in augustus fris.
Overnachten hoeft niet ingewikkeld te zijn. Bij veel stations vind je een hotel of pension, en langs de routes staan hutten van de Noorse wandelvereniging DNT met een bed en soms een maaltijd. Wie het avontuurlijker wil, mag dankzij het Noorse recht om vrij rond te trekken op de meeste plekken een tent neerzetten, op afstand van huizen en hutten. Drinkwater uit beken is doorgaans schoon, al vraag je dat per gebied beter even na. Stevige schoenen, een kaart en genoeg eten voor de dag horen sowieso in je rugzak. Houd er ook rekening mee dat het mobiele bereik op de hoogvlakte beperkt is, dus laat thuis weten welke route je loopt.

Van Finse naar Flåm: een route om mee te beginnen
Wie het wil proberen, kan moeilijk beter beginnen dan bij Finse. Dit dorp ligt aan de Bergensbanen op het hoogste punt van de lijn, en er komt geen enkele weg. De trein zet je af op 1222 meter, zonder dat je ervoor hebt hoeven klimmen. Recht voor je ligt de Hardangerjøkulen, een gletsjer die je in een paar uur lopen kunt benaderen.
Vanaf Finse volg je de oude Rallarvegen, het werkpad dat ooit werd aangelegd om de spoorlijn te bouwen. De route loopt breed en goed begaanbaar langs meren en sneeuwvelden richting Hallingskeid en Vatnahalsen, en daalt daarna af naar het dal. Onderweg zie je af en toe de trein voorbij komen, hoog tegen de berghelling. Aan het eind wacht Flåm, aan de rand van het fjord, waar je in het water kunt staren voor je de trein terug neemt. Wie nog niet uitgekeken is, stapt hier op een boot het fjord op en reist pas daarna terug. Je kunt de hele afstand in dagen verdelen of een korte dagetappe kiezen die bij je conditie past. Loop je rustig en geniet je van het uitzicht, dan voelt deze tocht als de zuiverste vorm van wandelen die er bestaat: uitstappen, lopen, en je laten ophalen door het spoor.